Een havik.
Op een zaterdagmorgen in januari liep ik op de Boisotkade, op weg naar de markt. Vlak voor de Haring- en Wittebroodbrug zag ik iets op de straat dat op het silhouet van een roofvogel leek. “Zal me wel vergissen,” dacht ik, “het zal de contour van een plasje zijn.” Maar toen ik, toch behoedzam, naderbij kwam, vloog die ‘contour’ op met een prooi in de klauwen die even groot was als de jager. Hij sneed, laagvliegend, het straatje langs de Vliet in en even later zag ik dat hij daar weer gauw geland was met de prooi nog onder zich. Nóg een keer beslopen worden ging blijkbaar zijn moed en zijn kracht te boven; hij vloog een boompje op en vandaar de wijde wereld in. De achtergelaten prooi schoot te voet de bosjes langs de kant in. Nog in leven dus. Na enig zoeken vond ik daar het gewonde dier, weggekropen op een voor alle predatoren veilig plekje en kon vaststellen dat het een stadsduif was. De afloop liet ik aan de natuur over.
Ik had genoeg gezien om de overvaller als een havik te determineren. Niet echt een stadsvogel, dus een vrij bijzondere ontmoeting. Te laat bedacht ik dat er ook sperwers bestaan. Die lijken veel op havikken maar zijn een maatje kleiner. Na raadpleging van wijkgenoot Jacques van Alphen, die veel meer van vogels afweet dan ik, moet ik concluderen dat het toch een havik was. Waarschijnlijk een man, want als bij zoveel roofvogels zijn die een slag kleiner dan de vrouwen. Een onervaren jonkie, denk ik omdat hij een prooi sloeg die hij zelf niet kon vervoeren.
Koenraad Kortmulder, 17 januari 2016.





